* De grens Kwartair
staat in GTS2004 ter discussie. Het omvat vooralsnog het Holoceen,
Midden en Laat Pleistoceen, Calabrien en het Gelasien. (zie
verder hieronder)** De grens van het
Pleistoceen / Plioceen is in GTS2004 nog niet definitief vastgesteld. In
1948 is bepaald dat het Kwartair begint met afkoeling. Het voorkomen van
bepaalde soorten koudwater mollusken in de Middellandse Zee zijn argumenten om het Kwartair met
het Calabrien te laten beginnen. Geologen zien al eerder een
significante afkoeling in het Gelasien op basis van hun data. In
NW-Europa wordt Gelasien daarom veelal tot het Kwartair gerekend.
In de tabel is zowel de grens van het Kwartair (2,59 Ma) als de grens van
het Pleistoceen / Plioceen (1,81 Ma) aangegeven. Nader
onderzoek moet uitwijzen waar de grens komt te liggen en of het noodzakelijk is
een nieuwe stratigrafische indeling voor het Kwartair met deel van het
Plioceen, het Pleistoceen en het Holoceen te ontwerpen.
***
Het Tertiair is als Periode in GTS2004 niet meer in gebruik.
Het Tertiair is afgeleid van het Italiaanse terziario (=derde) en al in
1759 door Giovanni Arduino genoemd. De
onderverdeling van het Kainozoïcum is nu: het Neogeen en
Paleogeen. De status van het Kwartair is nog niet geheel duidelijk
(zie hierboven).
Sinds 1970 is er discussie over de exacte
grens tussen het Krijt en het Tertiair. Vooral in de vrijwel
gelijksoortige kalkmassa's is de grens vaak moeilijk aan te wijzen. Op
verschillende plaatsen zijn echter iridiumhoudende kleilaagjes aangetroffen.
Tegenwoordig worden deze kleilaagjes als grens aangehouden tussen het Krijt
en Tertiair of liever: Paleogeen: de K/T of K/P-grens. (zie verder
ook Danien/GSSP).
Kleurenschema stratigrafische tabel
|
Kleurenschema volgens de Commission for the Geological Map of the World (CGMW)
|
|
Geologische eenheid |
Code |
Kleur R/G/B |
| KAINOZOÏCUM Neogeen
Holoceen
Pleistoceen
Plioceen
Mioceen
Paleogeen
Oligoceen
Eoceen
Paleoceen
|
CZ N
Q2
Q1
N2
N1
E
E3
E2
E1 |
250/253/1 255/232/0
255/251/240
255/247/176
255/255/153
255/255/0
253/154/82
254/224/144
254/209/59
235/192/109 |

Toelichting en beschrijvingen
Kainozoïcum (Cainozoic)
Onze vereniging houdt zich vooral bezig met de geschiedenis van de aarde
in het Kainozoïcum. Het Era omvat alle in de tabel genoemde Perioden, Epochen en
Tijden. Het Kainozoïcum betekent nieuwe (kainos) dieren (zoon) en is door J.
Phillips in 1841 geïntroduceerd.
GSSP: zie
Danien
Neogeen
Het Neogeen is afgeleid uit de Griekse woorden neos (=nieuw) en genos (=gewordene). Voor het
eerst genoemd door M. Hörnes in 1856. Het Bekken van Wenen gold als type
lokaliteit.
GSSP: zie
Aquitanien.
Kwartair
Deze naam is geïntroduceerd door Jules Desnoyers in 1829. De oorspronkelijk naam is afkomstig uit het Latijn waar de Zwitser André Morlot in
1858 deze in het Duits vertaald heeft als Quartär. Vervolgens is het als Kwartair in het Nederlands vertaald.
In de omgeving van Parijs zijn de oorspronkelijke type lokaliteiten te vinden.
Het Kwartair wordt als (Sub-)Periode in de GTS2004 voor een deel ook gebruikt naast het Neogeen.
De definitieve status moet nog worden vastgesteld.
Holoceen
Het heeft als betekenis uit het Grieks: geheel (=holos) nieuw (=kainos). Het Holoceen is voor
het eerst in 1867-69 door P. Gervais beschreven. Soms wordt het Holoceen ook
wel "recent" genoemd. Dit is absoluut onjuist en moet vermeden worden.
Tot ver in de eerste helft van de 20e eeuw werd het Holoceen ook wel Alluvium
(=rivier afzettingen) genoemd. Dit synoniem moet in dit verband worden vermeden.
In 1957 hebben J. de Heinzelin en R. Tavernier het Holoceen ook wel Flandrien
genoemd op basis van transgressie sedimenten in Vlaanderen. Het Flandrien is
ondertussen, ook als synoniem, geheel in onbruik geraakt.
GSSP kandidaat: Gelaagde
(jaarlijkse) afzettingen in NW-Duitsland waar met de 14C -datering de grens
bepaald kon worden tot op 10.000 14C jaren gerekend vanaf 1950. Correlatie met ijskernen op het Noordelijk en Zuidelijk halfrond
geven aan dat het waarschijnlijk is dat de GSSP van het Holoceen op 11.500 echte
kalenderjaren voor 1950 geplaatst moet worden.
Pleistoceen
Deze naam is afgeleid uit de Griekse woorden pleistos (=meest) en kainos (=nieuw) en in 1839 door Charles Lyell ingevoerd. Lyell gaf deze naam aan
gesteenten met mollusken populaties die uit meer dan 70% recente soorten bestonden. Tegenwoordig worden er vooral recente de IJstijd perioden mee
aangeduid. Een type lokaliteit is er niet geweest, maar Pleistocene
afzettingen komen vooral voor op het Noordelijke halfrond.
Het Diluvium (=gletsjer/ijstijd afzettingen) werd oorspronkelijk als synoniem
gebruikt voor het Pleistoceen. In de loop van de 20e eeuw is dat in onbruik
geraakt en mag daarom niet als synoniem voor het Pleistoceen gebruikt worden.
GSSP:
zie
Calabrien.
Laat Pleistoceen
De Tijd "Laat Pleistoceen" is waarschijnlijk voor het eerst gebruikt
door F.E. Zeuner in een verhandelingen over paleoklimaten in relatie met de
Milankovitch-curves gedurende het Pleistoceen in 1935 en 1959.
GSSP kandidaat:
52°22’45” N - 4°54’52”E.
Boring (52E0913) te Amsterdam (Eemien stratotype).
Midden Pleistoceen
De status van het Midden Pleistoceen is op dit moment (2005) nog
informeel. Het Midden Pleistoceen is pas sinds kort (1996) in discussie.
Onderzocht wordt of het Midden Pleistoceen officieel ingevoerd kan worden en
waar de GSSP dan geplaatst moet worden. Mocht het Midden Pleistoceen ingang
vinden dan stellen N. Carianfi et al (2001) voor om deze Tijd het "Ionien" te
noemen. Verwijzend naar de lagen slib van mariene afkomst te Montalbana Ionico in het zuiden
van Italië.
Calabrien
Genoemd naar de landstreek Calabria in de zool van de Italiaanse laars en in 1910 door Maurice
Gignoux benoemd. Gesteenten bevatten fossielen die een
afkoelend klimaat aanduiden. De voormalige type lokaliteit bevond zich in de
rechter oever van de Fiumarella nabij Catanzaro in Italië.

GSSP:
39°02'18.61"N 17°08'05.79"E. De GSSP voor basis van het Calabrien ligt in
de Vrica sectie nabij Crotone in Italië. (www.stratigraphy.org)
Plioceen
De betekenis komt uit het Grieks, pleioon (=meer) en kainos (=nieuw) en is beschreven door Charles Lyell in 1833. Volgens Lyell bevat het fossielhoudende
gesteente uit het Plioceen 35 tot 95% van de recent bekende soorten.
Aanvankelijk splitste Lyell het Plioceen in een Older en Newer Pliocene met
respectievelijk 35 tot 50% voor het Older Pliocene en 90 tot 95% voor het Newer
Pliocene. Lyell onderzocht vele regio's, zoals de omgeving van Ischia, Parma, Asti en Sienna in Italië; Perpignan en Nice in Frankrijk; English Grag; Val di Noto in Sicilië; Uddevalla in Zweden.
GSSP:
Zie
Zanclien
Gelasien
Het Gelasien is pas in 1998 beschreven door
D. Rio,
R. Sprovieri,
D. Castradori, en E. Di Stefano en genoemd naar de plaats Gela op Sicilië. Het
markeert een cruciale periode van de aardgeschiedenis waarin
vergletsjeringen op het noordelijk halfrond optreden.
 |
|
 |
| Luchtfoto van de omgeving van de Monte San Nicola.
(naar
Episodes
21 (2), 82-87, 1998) |
|
De dagzoom van het Gelasien in de badlands,
GSSP is met bordje aangegeven. |
GSSP:
Zuidelijke helling van de
Monte San Nicola, 10 km N-NW van Gela op Sicilië.
Piacenzien
Genoemd naar de Italiaanse plaats Piacenza in het noorden van Italië door
Karl Mayer in 1858. De oorspronkelijke ontsluiting van
het Piancenzien bevindt zich in de heuvels nabij het dorp Castell'Arquato,
ongeveer 25-30 km van Piacenza verwijderd. Wegens een hiaat aan de basis kon
hier geen GSSP geplaatst worden. De GSSP bevindt zich op Sicilië.
GSSP:
37°17’20” N - 13°29’36”E.
Punta Piccola op Sicilië.
Zanclien
Genoemd naar een oude Griekse kolonie op Sicilië, Zanclea,
het tegenwoordige Messina. De naam van deze stad is ook voor een andere Tijd
gebruikt: Het Messinien, als laatste Tijd in het
Mioceen. Het Zanclien is door G. Seguenza in 1868 gedefinieerd. Zowel de
oorspronkelijk type lokaliteit als de GSSP bevinden zich te Capo Rosello.
GSSP:
37°23’30” N - 13°16’50”E. De
Eraclae Minoa sectie van de Rosello composieten op Sicilië.
Mioceen
Uit het Grieks te herleiden als meioon (=minder/paar) kainos (=nieuw). Door Charles Lyell in 1833 voor het eerst beschreven
voor alle gesteenten waarin ongeveer
17% van de fossielen tot de recente soorten gerekend worden. Tot de
oorspronkelijke type lokaliteiten behoorden onder meer: Touraine en Bordeaux in Frankrijk; Bormida vallei en Superga heuvels in Italië; het Bekken van Wenen.
GSSP: zie
Aquitanien.
Messinien
Messina is een van de weinige plaatsen waarvan de naam gebruikt is voor twee
Tijden (zie Zanclien). Het is door
Karl Mayer-Eymar in 1867 geïntroduceerd. In deze Tijd viel de
Middellandse zee droog waardoor er grote zout- en gipsafzettingen ontstonden.
Een in 1960 opengelegde ontsluiting in de heuvels van Capodarso is door
landsverschuiving verloren gegaan. Een GSSP is daarom geplaatst op een
alternatieve locatie in Marocco.

De GSSP van het Messinien te Marocco (naar
Episodes 23 (3), 172-178, 2000)
GSSP: 33°59'13"N - 6°48'45"W.
Ontsluiting in een weg te Oued Akrech nabij Rabat in Marocco.
Tortonien
Door Karl Mayer in 1858 genoemd naar de stad Tortona
in Noord Italië en bestaat uit "Blaue Mergel mit Conus canaliculatus und
Ancillaria glandiformis von Tortona". A. Gianotti (1953) wees een tweetal
Italiaanse type locaties aan: één in de vallei van de Rio Mazzapiedi en de andere
bij Rio di Castellania nabij Sant'Agata Fossili in Italië.
GSSP: Monte dei Corvi,
Noord Italië.
Serravallien
Beschreven door M.F. Pareto in 1865 en genoemd naar het Noord Italiaanse stadje Serravalle,
waar ook de type lokaliteit gevonden wordt. Oorspronkelijk was de naam voor deze
Tijd "Helvetien" en door Karl Mayer in 1858 ingevoerd.
Pas in de jaren zestig van de 20ste eeuw bleek dat het Helvetien een Tijdequivalent was voor het Burdigalien en is het
Serravallien opnieuw opgevoerd.
Langhien
L. Pareto gaf deze Tijd in 1865 de naam naar de Noord Italiaanse landstreek Langhe.
Pareto vond in de Bormida di Millesimo Vallei in Piemonte veel Pteropoden (tot
15 mm grote holoplanktonische slakjes) die in de mergels voorkomen ("Marne a
pteropodi").
Burdigalien
In 1892 door Charles Depréret benoemd en Burdigala is de Latijnse naam voor de oude Romeinse nederzetting van het huidige Bordeaux.
De stratigrafische ouderdom is aanvankelijk bepaald door foraminiferen. Het valt
onder te verdelen in een Onder Burdigalien (een niet langer ontsloten type lokaliteit bevond zich in de omgeving van Bordeaux) en een Boven Burdigalien (met een type lokaliteit in de Rhône vallei nabij St-Paul-Trois-Chateaux).
Aquitanien
Genoemd naar Aquitaine, een landstreek in ZW-Frankrijk door
Karl Mayer in 1858. Hij definieerde deze Tijd op basis
van sedimenten die in de oevers van de beken Saucats en La Brède gevonden
worden. Deze locatie bevindt zich ongeveer 20 km ten zuiden van Bordeaux.

GSSP:
44°39’32” N - 8°50’11”E. 35 m
van de top van de Lemme-Carrosio sectie nabij het dorp Carrosio in het noorden
van Italië. (www.stratigraphy.org)
Paleogeen
De naam is samengesteld uit de Griekse woorden palaios (=oud) en genos (=het gewordene) en
werd ingevoerd door K.F. Naumann
in 1866. Een type lokaliteit is nooit beschreven, maar het onderzoek vond vooral
plaats in NW-Europa.
GSSP: zie
Danien
Oligoceen
Betekent naar het Grieks 'weinig nieuw' (=oligos en kainos). Het Oligoceen is geïntroduceerd door H.E. van Beyrich
in 1854 na onderzoek in NW-Duitsland.
GSSP: zie
Rupelien
Chattien
Tijd genoemd naar de Chatti, een oude Germaanse stam nabij de Eder en de Fulda. Beschreven in 1894 door T. Fuchs
na onderzoek aan de Kasseler Meersessande in Duitsland. J. Goerges onderzocht in
1957 de Doberg bij Bünde in Duitsland en ook deze ontsluiting gold als type
locatie.
GSSP kandidaat: De Umbria-Marche regio te Italië.
Rupelien
Door A.H. Dumont ingevoerd in 1849 en verwijst
naar de rivier Rupel in België. Het materiaal bestaat vaak uit klei met Septariënknollen.
Aan de basis ook verspoelde fosforietknollen.

De GSSP locatie van de Eoceen/Oligoceen en de Rupelien /
Priabonien grens.
GSSP:
43°32’13”N - 13°35’36”E. Deze
GSSP ligt in de Massignano groeve nabij Ancona in Italië,
(www.stratigraphy.org)
Eoceen
Vanuit het Grieks valt de naam te herleiden naar
'nieuwe dageraad' (éoos = dageraad en kainos = nieuw). Charles Lyell heeft het Eoceen het eerst
beschreven in 1833. In het systeem van Lyell bevatten de fossielen uit de gesteenten van het Eoceen slechts 3,5% van de recent bekende soorten.
Het Bekken van Parijs en het bekken van Londen waren de historische type
lokaliteiten.
GSSP: Zie
Ypresien.
Priabonien
Deze naam is afgeleid van de Noord Italiaanse plaats Priabona en door E. Munier-Chalman en A. de Lapparent in 1893 geïntroduceerd.
De afzettingen van het Priabonien bevatten op de oorspronkelijke type locatie
veel planktonische formaniferen.
Bartonien
Genoemd naar Barton-on-Sea, een zuid-engelse badplaats.
Karl Mayer beschreef het Bartonien in 1858. Aanvankelijk door D'Orbigny
genoemd als Parisien B (Zie ook Lutetien). De lagen van de de
Barton Beds in de kliffen bevatten een rijke en gevarieerde sectie met
dinoflagellaten.
Lutetien
Parijs heet in het Latijn Lutetia en is vernoemd naar de gelijknamige Romeinse plaats. Het Lutetien is door A. de Lapparent in 1883
ingevoerd. Het betreft hier een wijziging van een oudere naam: Parisien A (Naar de keltische naam voor Parijs). Het Parisien is door D'Orbigny
beschreven en hij onderscheidde daarin twee etages: Parisien A en B. Parisien B werd al eerder omgedoopt in
Bartonien.
Veel voorkomende fossielen waren grote nummulieten in deze sectie 50 km
noordelijk van de Franse hoofdstad.
GSSP Kandidaat: Fortuna
in Spanje
Ypresien
Verwijst naar de Vlaamse plaats Ieper en
werd door A.H. Dumont in 1849 beschreven. Ter plaatse werden kustnabije
afzettingen onderzocht.
GSSP:
Dababiya nabij Luxor, Egypte
Paleoceen
De naam is samengesteld uit de Griekse woorden palaios (=oud) en genos (=nieuw) en
werd ingevoerd door W. Schimper in 1874 naar aanleiding van zijn
paleobotanische studies in de omgeving van Parijs.
GSSP: zie
Danien
Thanetien
Deze naam is afgeleid van de Thanet Sands op de Isle of Thanet in Engeland. E. Renevier
onderzocht de Thanet Sands en beschreef deze in 1873.
GSSP
kandidaat: De
Zumaya sectie in het noorden van Spanje. Dezelfde
ontsluiting als voor het Selandien.
Selandien
Genoemd naar het Deense eiland
Sjælland door
A. Rozenkrantz in 1924. Deze etage is gebaseerd op een successie van
conglomeraten, groen zand, mergel en klei bij Stevns Klint en Faxe.
GSSP
kandidaat: De
Zumaya sectie in het noorden van Spanje. Dezelfde
ontsluiting als voor het Thanetien.

De kliffen van Stevns klint, zoals hier bij Rödvig, is de
type lokaliteit voor het Danien. Links het klif waarop met een rode lijn de
Krijt-Paleogeen grens aangegeven is. Rechts een detail van de K/P-grens, een
dun kleilaagje met vele visresten. D = Danien; M = Maastrichtien.
Danien
Dania is de Latijnse naam voor Denemarken.
Het werd door Pierre Desor in 1846 beschreven in het kader van een onderzoek
aan zeeëgels in de cerithium- en bryozoënkalken van Faxe en Stevns Klint. Oorspronkelijk werd het Danien tot het Krijt gerekend, maar
is in 1973 door C. Pomerol in het Paleogeen ondergebracht.
GSSP: Voorlopig
El Kef, Tunesië.
Iridiumhoudende basisklei. Grenslaag markeert een grote extinctie. Deze sectie
heeft door verwering sterk te lijden. Daarom wordt overwogen om de GSSP over
te brengen naar het naburige Ain Settes of de Elles sectie in Tunesië.
Noot:
Karl Mayer en Karl Mayer-Eymar is dezelfde persoon. Hij veranderde zijn naam omstreeks 1865 om wat meer op te vallen tussen de andere Mayer's.
Eymar is een anagram van Mayer.
Bronnen:
Berggren, W.A., D.V. Kent, M.-P. Aubry & J. Hardenbol (1995);
Geochronology,
time scales and global stratigraphic correlation; SEPM Special Publication 54.
Flammarion, C. (zj); De wereld voor de schepping van den mensch; Zutphen;
7, 179-181
Gradstein, F., J. Ogg, A. Smith (2004); A geologic time scale 2004;
Cambridge.
Harland, W.B, et al (1990); A geologic time scale 1989; Cambridge.
Lopes de Leão Laguna, R. (1985);
Geologische tijdschalen; Utrecht.
Kaarten en foto's:
http://www.stratigraphy.org/gssp.htm
Foto's Stevns Klint: Ton Lindemann
Samenstelling: Ton Lindemann
Adviseurs: Frank P. Wesselingh en Arie W. Janssen.