Stratigrafie




Laatst bijgewerkt: 10-11-2009


Introductie
De stratigrafie bestudeert in de geologie de eigenschappen en de opeenvolging van verschillende aardlagen. In de bijgaande tabel en de beschrijvingen zijn deze aardlagen volgens de Geologic Time Scale 2004 (GTS2004) opgesomd. De mogelijkheid om de aardlagen steeds nauwkeuriger te kunnen dateren met geavanceerde technieken, zoals paleomagnetisme, chemisch onderzoek van gesteenten (isotopen) of cyclische opeenvolgende gebeurtenissen, maakt dat de oude type lokaliteiten steeds meer in onbruik raken. De grenzen worden tegenwoordig per definitie steeds vaker aangeduid met een zogeheten "Golden Spike" (GSSP = Global Stratigraphic Section and Point). Een GSSP markeert een punt in een sectie. Het is het tijdstip waarop de betreffende laag is afgezet is en het tijdstip waarop de Tijd begon. Dat punt is tevens de top van de voorafgaande Tijd. Waar van toepassing is dat dan tevens ook de grens voor een Epoch of Periode.
Voor het Paleogeen en het Neogeen wordt de keuze van een GSSP onder meer bepaald door de biostratigrafie en paleomagnetisme. Nog niet alle grenzen zijn gedefinieerd volgens deze methode. Er vindt nog veel onderzoek plaats om de ontbrekende GSSP's te bepalen.
In het beschrijvende deel wordt aandacht besteed aan:

bullet

Herkomst en naamgeving van de Periode,

bullet

Epoche of Tijd,

bullet

Een opsomming van de historische type lokaliteit(en),

bullet

De GSSP.

Voor meer gedetailleerde beschrijvingen wordt verwezen naar de bronnen.

Stratigrafie
Met stratigrafie worden gesteente pakketten onderverdeeld en worden de gesteenten in een tijdsraamwerk geplaatst. Het bepalen van de ouderdom kan gedaan worden met relatieve en absolute dateringen. De GSSP's worden ook op deze wijze bepaald.
Met relatieve dateringen wordt gekeken naar correlaties met bijvoorbeeld fossielen. Uitsterven (LAD = Last Occurrence Datum) en nieuwe soorten (FOD = First Occurrence Datum) van met name microfossielen (planktonische en benthische foraminiferen, nannoplankton, radiolaria en dinoflagellaten) op of rond de grenslagen worden daarbij over het algemeen als uitgangspunt gekozen. In sommige gevallen worden ook vergelijkingen gemaakt met het voorkomen van diverse soorten zoogdieren. Dit gebeurt in het bijzonder als er onvoldoende mariene microfossielen voorhanden zijn.
De absolute datering van de juiste ouderdom en het kalibreren van de grenslagen geschiedt aan de hand van de fysische en chemische stratigrafie, paleomagnetisme en astronomie (Milankovitch-curves).
Voor het jongere Neogeen worden naast de hierboven genoemde mogelijkheden ook nog bijvoorbeeld vulkanische aslagen en (micro)tektieten gebruikt.
In de Pleistocene Epochen en het Holoceen spelen vooral ook klimaatsveranderingen (waaronder ook de afgeleide verschijnselen zoals: zeespiegelbewegingen, gletsjers en ijstijden) een grote betekenis voor het vaststellen van de GSSP.

Stratigrafische tabel
Een van de oudere geologische indelingen, gebaseerd op de evolutie van het 'hogere' leven, bestond uit vier grote tijdvakken: Primair (=eerste), Secundair (=tweede), Tertiair (=derde) en het Kwartair (=vierde). Deze werden vooraf gegaan door het Archaeïcum en het Algonkium, tijdvakken waarin de lagere dieren en plantensoorten zich ontwikkelden. De bijgaande overzichten illustreren deze historische indeling; een indeling die gangbaar was omstreeks het einde van 19e en het begin van de 20e eeuw.

Figuur 1 Tabel der groote perioden van de organische geschiedenis der aarde.
Figuur 2 Opvolging en chronologische volgorde der verschillende lagen.
Figuur 3 Betrekkelijke dikte der verschillende formaties.

De wordingsgeschiedenis van aarde werd destijds vooral afgeschat door de dikte van de aardlagen. De leeftijd van onze planeet werd geschat op 360 miljoen jaar. 350 miljoen jaar was nodig voor het ontstaan van de planeet en 10 miljoen jaar voor de ontwikkeling van het leven op aarde. De tijdvakken Archaeïcum en het Algonkium namen hiervan meer dan 5 miljoen voor hun rekening. Het Primair duurde 3 miljoen jaar en het Secundiar 1,2 miljoen jaar. Het Tertiair besloeg een tijdspanne van 300.000 jaar en het Kwartair nam 100.000 jaar voor zijn rekening.
Het evolutieboek van de aarde, zoals dat in de aardlagen af te lezen is, geven ondertussen heel andere uitkomsten. Nieuwe technieken zoals paleomagnetisme en ontdekkingen uit de sterrenkunde geven de aarde een leeftijd van 4,6 miljard jaar. En het Tertiair/Kwartair is opgerekt tot 65,5 miljoen jaar.
Het Primair en Secundair zijn al langer in onbruik geraakt. Hiervoor werden respectievelijk het Paleozoïcum en Mesozoïcum geïntroduceerd. Het Tertiair is ondertussen in de GTS2004 ook gesneuveld en hetzelfde lot lijkt ook het Kwartair beschoren. Waarmee dan definitief afstand genomen wordt van de oude restanten van deze historische indeling. In de tabelnoten wordt het één en ander toegelicht.
De WTKG houdt zich alleen bezig met het Kainozoïcum en de bijgaande stratigrafische tabel beperkt zich om deze reden dan ook tot dit Era.
 

HET
 KAINOZOÏCUM
Periode Epoch Tijd Duur in Ma
Kwartair )*
(00.00-02.59)
  Holoceen 00.00-00.01
Pleistoceen
(00.01-01.81)
Tarantien 00.01-00.13
Ionien 00.13-00.78
Calabrien )** 00.78-01.81
      Gelasien )** 01.81-02.59
Neogeen )***
(00.00-23.03)
  Plioceen
(01.81-05.33)
Piacenzien 02.59-03.60
Zanclien 03.60-05.33
Mioceen
(05.33-23.03)
Messinien 05.33-07.25
Tortonien 07.25-11.61
Serravallien 11.61-13.65
Langhien 13.65-15.97
Burdigalien 15.97-20.43
Aquitanien 20.43-23.03
Paleogeen )***
(23.03-65.5)
Oligoceen
(23.03-33.9)
Chattien 23.03-28.4
Rupelien 28.4-33.9
Eoceen
(33.9-55.8)
Priabonien 33.9-37.2
Bartonien 37.2-40.4
Lutetien 40.4-48.6
Ypresien 48.6-55.8
Paleoceen
(55.8-65.5)
Thanetien 55.8-58.7
Selandien 58.7-61.1
Danien 61.1-65.5

* De grens Kwartair staat in GTS2004 ter discussie. Het omvat vooralsnog het Holoceen, Midden en Laat Pleistoceen, Calabrien en het Gelasien. (zie verder hieronder)

** De grens van het Pleistoceen / Plioceen is in GTS2004 nog niet definitief vastgesteld. In 1948 is bepaald dat het Kwartair begint met afkoeling. Het voorkomen van bepaalde soorten koudwater mollusken in de Middellandse Zee zijn argumenten om het Kwartair met het Calabrien te laten beginnen. Geologen zien al eerder een significante afkoeling in het Gelasien op basis van hun data. In NW-Europa wordt Gelasien daarom veelal tot het Kwartair gerekend. In de tabel is zowel de grens van het Kwartair (2,59 Ma) als de grens van het Pleistoceen / Plioceen (1,81 Ma) aangegeven. Nader onderzoek moet uitwijzen waar de grens komt te liggen en of het noodzakelijk is een nieuwe stratigrafische indeling voor het Kwartair met deel van het Plioceen, het Pleistoceen en het Holoceen te ontwerpen.

*** Het Tertiair is als Periode in GTS2004 niet meer in gebruik. Het Tertiair is afgeleid van het Italiaanse terziario (=derde) en al in 1759 door Giovanni Arduino genoemd. De onderverdeling van het Kainozoïcum is nu: het Neogeen en Paleogeen. De status van het Kwartair is nog niet geheel duidelijk (zie hierboven).

Sinds 1970 is er discussie over de exacte grens tussen het Krijt en het Tertiair. Vooral in de vrijwel gelijksoortige kalkmassa's is de grens vaak moeilijk aan te wijzen. Op verschillende plaatsen zijn echter iridiumhoudende kleilaagjes aangetroffen. Tegenwoordig worden deze kleilaagjes als grens aangehouden tussen het Krijt en Tertiair of liever: Paleogeen: de K/T of K/P-grens. (zie verder ook Danien/GSSP).

Kleurenschema stratigrafische tabel


Kleurenschema volgens de Commission for the Geological Map of the World (CGMW)
 

Geologische eenheid Code Kleur R/G/B
KAINOZOÏCUM

Neogeen

Holoceen
Pleistoceen
Plioceen
Mioceen

Paleogeen

Oligoceen
Eoceen
Paleoceen

CZ

N

Q2
Q1
N2
N1

E

E3
E2
E1

250/253/1

255/232/0

255/251/240
255/247/176
255/255/153
255/255/0

253/154/82

254/224/144
254/209/59
235/192/109

Toelichting en beschrijvingen

Kainozoïcum (Cainozoic)
Onze vereniging houdt zich vooral bezig met de geschiedenis van de aarde in het Kaino-zoïcum. Het Era omvat alle in de tabel genoemde Perioden, Epochen en Tijden. Het Kaino-zoïcum betekent nieuwe (kainos) dieren (zoon) en is door J. Phillips in 1841 geïntroduceerd.

GSSP: zie Danien

Neogeen
Het Neogeen is afgeleid uit de Griekse woorden neos (=nieuw) en genos (=gewordene). Voor het eerst genoemd door M. Hörnes in 1856. Het Bekken van Wenen gold als type lokaliteit.

GSSP: zie Aquitanien.

Kwartair
Deze naam is geïntroduceerd door Jules Desnoyers in 1829. De oorspronkelijk naam is afkomstig uit het Latijn waar de Zwitser André Morlot in 1858 deze in het Duits vertaald heeft als Quartär. Vervolgens is het als Kwartair in het Nederlands vertaald. In de omgeving van Parijs zijn de oorspronkelijke type lokaliteiten te vinden.

Het Kwartair wordt als (Sub-)Periode in de GTS2004 voor een deel ook gebruikt naast het Neogeen. De definitieve status moet nog worden vastgesteld.

Holoceen
Het heeft als betekenis uit het Grieks: geheel (=holos) nieuw (=kainos). Het Holoceen is voor het eerst in 1867-69 door P. Gervais beschreven. Soms wordt het Holoceen ook wel "recent" genoemd. Dit is absoluut onjuist en moet vermeden worden.
Tot ver in de eerste helft van de 20e eeuw werd het Holoceen ook wel Alluvium (=rivier afzettingen) genoemd. Dit synoniem moet in dit verband worden vermeden.
In 1957 hebben J. de Heinzelin en R. Tavernier het Holoceen ook wel Flandrien genoemd op basis van transgressie sedimenten in Vlaanderen. Het Flandrien is ondertussen, ook als synoniem, geheel in onbruik geraakt.


GSSP 75.1000°N - 42.3200°W: Het einde van het jong Dryas koude periode, wat gekenmerkt door een verandering in de deutetium waarden, gevolgd door veranderingen D180 stofconcentraties; veranderingen in chemische samenstelling en verandering in de dikte van jaarlijkse afzettingen.

Pleistoceen
Deze naam is afgeleid uit de Griekse woorden pleistos (=meest) en kainos (=nieuw) en in 1839 door Charles Lyell ingevoerd. Lyell gaf deze naam aan gesteenten met mollusken populaties die uit meer dan 70% recente soorten bestonden. Tegenwoordig worden er vooral recente de IJstijd perioden mee aangeduid. Een type lokaliteit is er niet geweest, maar Pleistocene afzettingen komen vooral voor op het Noordelijke halfrond.
Het Diluvium (=gletsjer/ijstijd afzettingen) werd oorspronkelijk als synoniem gebruikt voor het Pleistoceen. In de loop van de 20e eeuw is dat in onbruik geraakt en mag daarom niet als synoniem voor het Pleistoceen gebruikt worden.

GSSP: zie Calabrien.

Tarantien
Het begin van Eemien in een boring te Amsterdam is als beginpunt genomen voor Tarantien. Op de basis van het Tarantien ligt een stenen/keienlaag. Het Eemien geldt als laatste interglaciaal voor de laatste ijstijd in het Pleistoceen.

GSSP: 52.3792°N - 4.9144°E. Boring (52E0913) te Amsterdam (Eemien stratotype).

Ionien
De status van het Ionien is op dit moment (2007) nog informeel. Het Ionien is pas sinds kort (1996) in discussie. Onderzocht wordt of het Ionien als Midden Pleistoceen officieel ingevoerd kan worden en waar de GSSP dan geplaatst moet worden. Mocht het Midden Pleistoceen ingang vinden dan stellen N. Carianfi et al (2001) voor om deze Tijd het "Ionien" te noemen. Verwijzend naar de lagen slib van mariene afkomst te Montalbana Ionico in het zuiden van Italië, of
Valle di Manche, eveneens in Italië of Japan (Chiba).

GSSP kandidaat: Verwijzend naar de lagen slib van mariene afkomst te Montalbana Ionico in het zuiden van Italië, of Valle di Manche, eveneens in Italië of Japan (Chiba).

Calabrien
Genoemd naar de landstreek Calabria in de zool van de Italiaanse laars en in 1910 door Maurice Gignoux benoemd. Gesteenten bevatten fossielen die een afkoelend klimaat aanduiden. De voormalige type lokaliteit bevond zich in de rechter oever van de Fiumarella nabij Catanzaro in Italië.
 

GSSP: 39.0385°N - 17.1348°E De GSSP voor basis van het Calabrien ligt in de Vrica sectie nabij Crotone in Italië.

Plioceen
De betekenis komt uit het Grieks, pleioon (=meer) en kainos (=nieuw) en is beschreven door Charles Lyell in 1833. Volgens Lyell bevat het fossielhoudende gesteente uit het Plioceen 35 tot 95% van de recent bekende soorten. Aanvankelijk splitste Lyell het Plioceen in een Older en Newer Pliocene met respectievelijk 35 tot 50% voor het Older Pliocene en 90 tot 95% voor het Newer Pliocene. Lyell onderzocht vele regio's, zoals de omgeving van Ischia, Parma, Asti en Sienna in Italië; Perpignan en Nice in Frankrijk; English Grag; Val di Noto in Sicilië;  Uddevalla in Zweden.

GSSP: Zie Zanclien

Gelasien
Het Gelasien is pas in 1998 beschreven door D. Rio, R. Sprovieri, D. Castradori, en E. Di Stefano en genoemd naar de plaats Gela op Sicilië. Het markeert een cruciale periode van de aardgeschiedenis waarin  vergletsjeringen op het noordelijk halfrond optreden.
 

 
Luchtfoto van de omgeving van de Monte San Nicola. (naar  Episodes 21 (2), 82-87, 1998)   De dagzoom van het Gelasien in de badlands, GSSP is met bordje aangegeven.

GSSP 37.1469°N - 14.2035°E: Zuidelijke helling van de Monte San Nicola, 10 km N-NW van Gela op Sicilië.

Piacenzien
Genoemd naar de Italiaanse plaats Piacenza in het noorden van Italië door Karl Mayer in 1858. De oorspronkelijke ontsluiting van het Piancenzien bevindt zich in de heuvels nabij het dorp Castell'Arquato, ongeveer 25-30 km van Piacenza verwijderd. Wegens een hiaat aan de basis kon hier geen GSSP geplaatst worden. De GSSP bevindt zich op Sicilië.

GSSP: 37.2889°N - 13.4933°E. Punta Piccola op Sicilië.

Zanclien
Genoemd naar een oude Griekse kolonie op Sicilië, Zanclea, het tegenwoordige Messina. De naam van deze stad is ook voor een andere Tijd gebruikt: Het Messinien, als laatste Tijd in het Mioceen. Het Zanclien is door G. Seguenza in 1868 gedefinieerd. Zowel de oorspronkelijk type lokaliteit als de GSSP bevinden zich te Capo Rosello.

De GSSP van het Mioceen/Plioceen of Messinian/Zanclien. (naar Episodes 23 (3), 179-187, 2000)

 

GSSP: 37.3917°N - 13.2806°E. De Eraclae Minoa sectie van de Rosello composieten op Sicilië.

Mioceen
Uit het Grieks te herleiden als meioon (=minder/paar) kainos (=nieuw). Door Charles Lyell in 1833 voor het eerst beschreven voor alle gesteenten waarin ongeveer 17% van de fossielen tot de recente soorten gerekend worden. Tot de oorspronkelijke type lokaliteiten behoorden onder meer: Touraine en Bordeaux in Frankrijk; Bormida vallei en Superga heuvels in Italië; het Bekken van Wenen.

GSSP: zie Aquitanien.

Messinien
Messina is een van de weinige plaatsen waarvan de naam gebruikt is voor twee Tijden (zie Zanclien). Het is door Karl Mayer-Eymar in 1867 geïntroduceerd. In deze Tijd viel de Middellandse zee droog waardoor er grote zout- en gipsafzet-tingen ontstonden. Een in 1960 opengelegde ontsluiting in de heuvels van Capodarso is door landsverschuiving verloren gegaan. Een GSSP is daarom geplaatst op een alternatieve locatie in Marocco.


De GSSP van het Messinien te Marocco (naar Episodes 23 (3), 172-178, 2000)

GSSP: 33.9369°N - 6.8125°W. Ontsluiting in een weg te Oued Akrech nabij Rabat in Marocco.

Tortonien
Door Karl Mayer in 1858 genoemd naar de stad Tortona in Noord Italië en bestaat uit "Blaue Mergel mit Conus canaliculatus und Ancillaria glandiformis von Tortona". A. Gianotti (1953) wees een tweetal Italiaanse type locaties aan: één in de vallei van de Rio Mazzapiedi en de andere bij Rio di Castellania nabij Sant'Agata Fossili in Italië.


De GSSP van het Tortonien in Noord Italië (naar Episodes 28 (1), 6 - 17, 2005)
Markering 76 en het pijltje geven de GSSP aan.

GSSP 43.5867°N - 13.5694°E: Monte dei Corvi, Noord Italië.

Serravallien
Beschreven door M.F. Pareto in 1865 en genoemd naar het Noord Italiaanse stadje Serravalle, waar ook de type lokaliteit gevonden wordt. Oorspronkelijk was de naam voor deze Tijd "Helvetien" en door Karl Mayer in 1858 ingevoerd. Pas in de jaren zestig van de 20ste eeuw bleek dat het Helvetien een Tijdequivalent was voor het Burdigalien en is het Serravallien opnieuw opgevoerd.

GSSP 35.9139°N - 14.3361°E: Malta (Ras il Pellegrin section) aan de basis van blauwe klei.

Langhien
L. Pareto gaf deze Tijd in 1865 de naam naar de Noord Italiaanse landstreek Langhe. Pareto vond in de Bormida di Millesimo Vallei in Piemonte veel Pteropoden (tot 15 mm grote holoplanktonische slakjes) die in de mergels voorkomen ("Marne a pteropodi").

GSSP Kandidaat: Moria of La Vedere in Italië of OPD kern (leg 154).

Burdigalien
In 1892 door Charles Depréret benoemd en Burdigala is de Latijnse naam voor de oude Romeinse nederzetting van het huidige Bordeaux. De stratigrafische ouderdom is aanvankelijk bepaald door foraminiferen. Het valt onder te verdelen in een Onder Burdigalien (een niet langer ontsloten type lokaliteit bevond zich in de omgeving van Bordeaux) en een Boven Burdigalien (met een type lokaliteit in de Rhône vallei nabij St-Paul-Trois-Chateaux).

GSSP Kandidaat: OPD kern.

Aquitanien
Genoemd naar Aquitaine, een landstreek in ZW-Frankrijk door Karl Mayer in 1858. Hij definieerde deze Tijd op basis van sedimenten die in de oevers van de beken Saucats en La Brède gevonden worden. Deze locatie bevindt zich ongeveer 20 km ten zuiden van Bordeaux.

GSSP: 44.6589°N - 8.8364°E. 35 m van de top van de Lemme-Carrosio sectie nabij het dorp Carrosio in het noorden van Italië.

Paleogeen
De naam is samengesteld uit de Griekse woorden palaios (=oud) en genos (=het gewor-dene) en werd ingevoerd door K.F. Naumann in 1866. Een type lokaliteit is nooit beschre-ven, maar het onderzoek vond vooral plaats in NW-Europa.

GSSP: zie Danien

Oligoceen
Betekent naar het Grieks 'weinig nieuw' (=oligos en kainos). Het Oligoceen is geïntroduceerd door H.E. van Beyrich in 1854 na onderzoek in NW-Duitsland.

GSSP: zie Rupelien

Chattien
Tijd genoemd naar de Chatti, een oude Germaanse stam nabij de Eder en de Fulda. Beschreven in 1894 door T. Fuchs na onderzoek aan de Kasseler Meersessande in Duitsland. J. Goerges onderzocht in 1957 de Doberg bij Bünde in Duitsland en ook deze ontsluiting gold als type locatie.

GSSP kandidaat: De Umbria-Marche regio te Italië.

Rupelien
Door A.H. Dumont ingevoerd in 1849 en verwijst naar de rivier Rupel in België. Het materiaal bestaat vaak uit klei met Septariënknollen. Aan de basis ook verspoelde fosforietknollen.


De GSSP locatie van de Eoceen/Oligoceen en de Rupelien / Priabonien grens.

GSSP: 43.5328°N - 13.6011°E. Deze GSSP ligt in de Massignano groeve nabij Ancona in Italië,

Eoceen
Vanuit het Grieks valt de naam te herleiden naar 'nieuwe dageraad' (éoos = dageraad en kainos = nieuw). Charles Lyell heeft het Eoceen het eerst beschreven in 1833. In het systeem van Lyell bevatten de fossielen uit de gesteenten van het Eoceen slechts 3,5% van de recent bekende soorten. Het Bekken van Parijs en het bekken van Londen waren de historische type lokaliteiten.

GSSP: Zie Ypresien.

Priabonien
Deze naam is afgeleid van de Noord Italiaanse plaats Priabona en door E. Munier-Chalman en A. de Lapparent in 1893 geïntroduceerd. De afzettingen van het Priabonien bevatten op de oorspronkelijke type locatie veel planktonische formaniferen.

GSSP kandidaat: Tiziano Beds, Alano section (Rivier Piave; Veneto Prealps, Belluno provincie, N. Italië).

Bartonien
Genoemd naar Barton-on-Sea, een zuid-engelse badplaats. Karl Mayer beschreef het Bartonien in 1858. Aanvankelijk door D'Orbigny genoemd als Parisien B (Zie ook Lutetien). De lagen van de de Barton Beds in de kliffen bevatten een rijke en gevarieerde sectie met dinoflagellaten.

Lutetien
Parijs heet in het Latijn Lutetia en is vernoemd naar de gelijknamige Romeinse plaats. Het Lutetien is door A. de Lapparent in 1883 ingevoerd. Het betreft hier een wijziging van een oudere naam: Parisien A (Naar de keltische naam voor Parijs). Het Parisien is door D'Orbigny beschreven en hij onderscheidde daarin twee etages: Parisien A en B. Parisien B werd al eerder omgedoopt in Bartonien. Veel voorkomende fossielen waren grote nummulieten in deze sectie 50 km noordelijk van de Franse hoofdstad.

GSSP Kandidaat: Agost section, Murcia province, Betic Cordilleras, Spanje. (GSSP wordt in 2009 verwacht)

Ypresien
Verwijst naar de Vlaamse plaats Ieper en werd door A.H. Dumont in 1849 beschreven. Ter plaatse werden kustnabije afzettingen onderzocht.


De locatie ven de GSSP voor het Ypresien

GSSP 25.5000°N - 32.5311°E: Dababiya nabij Luxor, Egypte.

Paleoceen
De naam is samengesteld uit de Griekse woorden palaios (=oud) en genos (=nieuw) en werd ingevoerd door W. Schimper in 1874 naar aanleiding van zijn paleobotanische studies in de omgeving van Parijs.

GSSP: zie Danien

Thanetien
Deze naam is afgeleid van de Thanet Sands op de Isle of Thanet in Engeland. E. Renevier onderzocht de Thanet Sands en beschreef deze in 1873.

GSSP 43.3006°N - 2.2594°W: De Zumaya sectie in het noorden van Spanje. Dezelfde ontsluiting als voor het Selandien.

Selandien
Genoemd naar het Deense eiland Sjælland door A. Rozenkrantz in 1924. Deze etage is gebaseerd op een successie van conglomeraten, groen zand, mergel en klei bij Stevns Klint en Faxe.

GSSP 43.3006°N 2.2594°W: De Zumaya sectie in het noorden van Spanje. Dezelfde ontsluiting als voor het Thanetien.

De kliffen van Stevns klint, zoals hier bij Rödvig, is de type lokaliteit voor het Danien. Links het klif waarop met een rode lijn de Krijt-Paleogeen grens aangegeven is. Rechts een detail van de K/P-grens, een dun kleilaagje met vele visresten.

D = Danien; M = Maastrichtien.

 

 


Danien
Dania is de Latijnse naam voor Denemarken. Het werd door Pierre Desor in 1846 beschreven in het kader van een onderzoek aan zeeëgels in de cerithium- en bryozoënkalken van Faxe en Stevns Klint. Oorspronkelijk werd het Danien tot het Krijt gerekend, maar is in 1973 door C. Pomerol in het Paleogeen ondergebracht.

1/2, locatie El Kef: 3/4 Ontsluiting: 5/6 K/T-grens

 

 

 

 

 

 

 

GSSP 36.1537°N 8.6486°E: El Kef, Tunesië. Iridiumhoudende basisklei. Grenslaag markeert een grote extinctie. Deze sectie heeft door verwering sterk te lijden.

Noot:
Karl Mayer en Karl Mayer-Eymar is dezelfde persoon. Hij veranderde zijn naam omstreeks 1865 om wat meer op te vallen tussen de andere Mayer's. Eymar is een anagram van Mayer.

Bronnen:
Berggren, W.A., D.V. Kent, M.-P. Aubry & J. Hardenbol (1995);
Geochronology, time scales and global stratigraphic correlation; SEPM Special Publication 54.
Flammarion, C. (zj);
De wereld voor de schepping van den mensch; Zutphen; 7, 179-181
Gradstein, F., J. Ogg, A. Smith (2004);
A geologic time scale 2004; Cambridge.
Harland, W.B, et al (1990);
A geologic time scale 1989; Cambridge.

Lopes de Leão Laguna, R. (1985);
Geologische tijdschalen; Utrecht.

Kaarten en foto's: http://stratigraphy.science.purdue.edu/gssp/
Foto's Stevns Klint: Ton Lindemann

Samenstelling: Ton Lindemann
Adviseurs: Frank P. Wesselingh en Arie W. Janssen.