De
beide auteurs van dit stuk ontmoetten elkaar tijdens het ‘Natuur op
Spreekuur’ in Naturalis. ‘Voor en achter de tafel’ zoals dat zo mooi heet.
Trudy was een van de mensen die daar kwam met een doos botten die op naam
gebracht moesten worden. Met een zoon die ijverig botten verzamelt was de
collectie thuis weer eens flink uitgebreid, en dus toog het gezin naar
Naturalis. Eens kijken of er ditmaal een heuse mammoet bij zit. Meer
mensen waren op dat idee gekomen, en door die drukte was Lars door de
mensen van het Natuur Informatie Centrum gevraagd om even bij te springen.
Die ging dus duidelijk niet voor de mammoet. Na één blik op de vondsten op
tafel zei hij: “die vind ik leuk”, wijzend op een klein kaakje met een
enkele kies erin. De overige botten werden bekeken (weer geen mammoet),
maar het kaakje bleef trekken. Opvallend eraan was de kleur: pikzwart,
terwijl alle andere botten in de collectie bruin waren. Een uitzondering,
een klein dijbeen had dezelfde fossilisatiegraad als het kaakje. Beide
fossielen waren opgeraapt op het strand van Noordwijk.

Boven: Het kleine dijbeen van de otter
Lutra lutra en het kaakje van de marter.
Onder: Het kaakje van de marter.

“Ik denk dat het een bunzing is”, verklaarde Lars uiteindelijk,
toen hij het kaakje aan alle kanten bekeken had, “maar helemaal zeker
ben ik er niet van.” En dus toog het hele gezin naar het heilige der
heiligen van Naturalis, de collectietoren. Het zwarte dijbeentje ging ook
mee, want daar waren we ook nog niet uit. Een bunzing werd erbij gehaald.
Die was wel wat kleiner, maar een beetje variatie moet je toch toelaten,
meende Lars. Een otter en een das werden even ter vergelijking ook uit de
kast gehaald. Hele andere kiezen, dus met de determinatie ‘Vrijwel zeker
bunzing’ verliet het gezin Naturalis. De kaak en het dijbeen bleven nog
even achter. Het zou de derde fossiele bunzing van Nederland zijn, en dus
zeker een melding waardig, en het dijbeen, daar waren we nog niet helemaal
uit. Twee weken later liet Lars de vondsten zien aan Charlie Schouwenburg,
een amateur-paleontoloog die zich vooral met roofdieren bezighoudt.
Charlie meende in het dijbeen een otter te herkennen. De laptop met
vergelijkingsfoto’s werd tevoorschijn gehaald, en inderdaad, het bot leek
erg overeen te komen met de foto van een jonge otter. Daar moest maar eens
eerst mee vergeleken worden. En Lars beweerde nog altijd stellig dat dat
andere een bunzing was. Toch bleef die kaak aan hem knagen. Want de kies
was wel echt een stukje groter, en de vorm van de depressie in de
onderkaak kwam ook niet helemaal overeen. Toen hij even een uurtje vrij
had, kroop hij dus maar weer eens de toren in. Eerst om de suggestie van
Charlie te checken. Het werd meteen duidelijk dat die gelijk had, en dat
het dijbeen toebehoorde aan een otter, Lutra lutra. En toen achter de
bunzing aan. Tijdens de ronde naar aanleiding van het ‘Natuur op
Spreekuur’ hadden we niet gekeken naar marters. Toen de kaak van Noordwijk
naast een recente kaak van een steenmarter (Martes fiona) uit Groesbeek
werd gehouden, was meteen duidelijk dat het helemaal niet om een bunzing
ging. Het was een marter. En dat is op zich nog mooier, want die waren nog
helemaal niet fossiel uit Nederland bekend. Of het dan ook echt een
steenmarter is, daar houden we nog even een slag om de arm. De kiezen van
steenmarters en boommarters zijn ongeveer even groot. Het verschil zit hem
in de hoektand en de zogenaamde foramina mentalia in de onderkaak, die
echter geen van beide bewaard zijn gebleven.
Helaas is over de ouderdom weinig te zeggen. Dat de beide fossielen zwart
gefossiliseerd zijn zou er wel eens op kunnen duiden dat het gaat om wat
ouder materiaal. Het typische Laat Pleistocene of Holocene materiaal is
over het algemeen bruin verkleurd. De verzameltocht op het strand van
Noordwijk heeft in ieder geval in een keer twee bijzondere vondsten
opgeleverd. Geen mammoet, maar dat komt nog wel.