In de kleigroeve van Steendorp, ongeveer 25 kilometer
ten zuidwesten van Antwerpen, wordt al tenminste enkele tientallen jaren
Oligocene klei gewonnen. Voor 1980 gebeurde dit in een grote kleigroeve
aan de Blauwhofstraat waar ook de fabriek zelf staat. Momenteel wordt deze
groeve opgevuld met zand uit de havendokken bij Doel. Na 1980 is men
begonnen aan de andere zijde van de weg. Er zijn duidelijke verschillen
tussen de oude en de nieuwe groeve, zowel wat exploitatiewijze betreft als
het boven de klei liggende profiel.
In de oude groeve werd de klei in twee etages met excavateurs gewonnen. Op
de klei lag een laag donkergekleurd glauconietzand van ongeveer een meter
dikte. Op de overgang tussen klei en zand bevond zich een grindlaag van
ongeveer 10 tot 20 centimeter dikte, met onder andere fosforieten,
vuursteentjes, zwarte walvisbotten en, veelal gerolde, haaientanden.
Bianucci en Post identificeren de grindlaag als het bekende ‘postmiocene
basisgrind’. De glauconietzanden waren steriel, maar wel waren vaak
graaggangen zichtbaar.
Boven het donkere glauconietzand waren licht gekleurde zanden ontsloten
ter dikte van 2-3 meter, met halverwege een schelpenlaag van ongeveer
30-50 centimeter dikte. De ruimte tussen de schelpen was opgevuld met een
taaie, okerkleurige leem. Het betrof hier volgens Bianucci en Post (2005)
een vroeg Pliocene afzetting; Marquet spreekt echter van een gemengde
Pliocene afzetting met elementen van het Mioceen tot aan de zanden van
Kruisschans (persoonlijke mededeling). In de schelpenlaag overheersten
bivalven (Ostrea, Astarte omalii). Voorts waren er veel bruine-gele
walvisbotten en haaientanden te vinden. Veel tanden waren van Eocene
ouderdom en sterk afgerold. Met enige regelmaat kon er een fraaie
Cosmopolitodus hastalis of Hexanchus (Plioceen) worden gevonden, hoewel ze
zeker niet algemeen waren. Deze waren soms gerold, soms echter nog zeer
scherp. C. hastalis kon aanzienlijke afmetingen bereiken; mij is een tand
van 8 centimeter bekend. De schelpenlaag bevatte ook spaarzame, bruine,
afgerolde fosforietknollen die tot 20 centimeter groot konden zijn.
EEN WALVIS UIT DE
OUDE GROEVE
In de zomer van 1974 werd een deel van de bovenliggende zanden weggegraven,
om de kleilagen vrij te maken voor exploitatie.
Op een dag in augustus groeven we in de Pliocene schelpenlaag tijdens de
lunchpauze van de arbeiders, toen ik een grote wervel vond. Tot mijn
verbazing vond ik direct daarop nog een wervel en nog een. We beseften dat
hier meerdere botten in connectie lagen. Met veel moeite borgen we
uiteindelijk 11 wervels, twee cervicale (C6 en C7) en 9 thoracale (Th
1-9). De nekwervel die meest craniaal was gelegen, C6, is tweeëneenhalve
centimeter dik en meet zeven bij tien centimeter. De wervels worden naar
caudaal toe geleidelijk dikker en veel zwaarder; Th 9 meet acht bij tien
centimeter. met een dikte (of lengte) van tien centimeter.

Een twaalfde wervel is van ongeveer dezelfde grootte, maar is zwaarder
versteend en sterk afgerold; vermoedelijk is dit een toevallige bijvondst.
Tevens vonden we drie ribben, met een lengte van respectievelijk 47, 60 en
64 centimeter.Tot slot troffen we enkele schedelfragmenten aan,
vermoedelijk delen van de mandibula. Merkwaardigerwijs vonden we ook nog
vier grote C. hastalis tanden van drie, drie en een half, vijf en zes
centimeter. Pas veel later trok ik de conclusie dat dit mogelijk tanden
waren van haaien die in het karkas hebben gebeten.
De beenderen zijn niet afgerold. De kleinere werveluitsteeksels konden in
de haast helaas niet worden geborgen. De botten zijn ten dele versteend.
Ze zijn desalniettemin tamelijk bros en het kostte me vele dagen om de
tientallen fragmenten weer bij elkaar te voegen.
We hadden slechts anderhalf uur om een en ander uit te graven - erna
kwamen de arbeiders terug. Hierbij hadden we het geluk dat de wervelkolom
min of meer evenwijdig aan de wand lag. De ribben zijn alle van de
linkerzijde en staken ver naar achteren in de wand - dit kostte veel zwaar
graafwerk! De overige thoracale, lumbale en caudale en ook de cervicale
wervels, evenals de schedel waren verdwenen; doordat deze gedeelten van
het skelet reeds was afgegraven en met het sediment elders gestort. Het
betreft een volwassen exemplaar; de epiphyse schijven zijn vergroeid met
het wervellichaam. Gezien de grootte van de wervels, vermoed ik dat het
hier geen dolfijnachtige betreft, maar een grotere soort. Er werden geen
tanden gevonden, maar ik weet niet of het een balein- dan wel een
tandwalvis is.
De botten heb ik in een tableau samengevoegd, zoals afgebeeld op bijgaande
foto op pagina 64. Dit tableau meet 98 bij 68 centimeter.
Toevalligerwijs vond ik slechts korte tijd later in de grindlaag mijn
eerste gave C. megalodon tand van ongeveer 8 centimeter; men mocht wel van
een ‘geluksdag’ spreken!
LITERATUUR
Bianucci, G. & Post, K, 2005. Caviziphius altirostris, an new beaked whale
from the Miocene southern North Sea basin. Deinsea 11:1-6. Annual of the
Natural History Museum Rotterdam.