Glas
komt in de vrije natuur in drie groepen voor: Obsediaan, Fulgariet en als
impactglas. De eerste heeft een vulkanische oorsprong, de tweede zijn de
zogeheten bliksembuizen en ontstaan tijdens blikseminslagen. De derde groep
tenslotte wordt gevormd bij grote meteoriet inslagen waarbij ook kraters
ontstaan; hieronder vallen tektieten en de grotere glasbommen.

Afbeelding 1 Grootste stuk geborgen glas, lengte 4 cm.
Het stuk glas van afbeelding 1 komt uit de Ries en is het grootste exemplaar
van de 7 geborgen stukken. Daarnaast zijn er nog enkele kleinere stukjes.
Het glas is op de meeste plaatsen doorzichtig helder en op andere plaatsen
glanzend zwart. De vondst dateert van 2001.
Impactglas komt in de Ries veelvuldig voor als insluitsels in het Sueviet;
een poreus tufachtig gesteente wat tot op zekere hoogte op het oog een
gelijkenis vertoont met het vulkanische tuf. Dit glas is zwart en getuigt
van een langzame afkoeling. Bovendien is dit type glas niet homogeen. Het
bevat vele holten van voormalige gasinsluitels en soms zitten er fraaie
kristallen in. Tektieten die getuigen van deze inslag zijn helder groen en
meestal massief. Deze vinden we vooral in Tsjechië en het zuiden van het
voormalige Oost-Duitsland.
Het hier afgebeelde massieve glas komt uit de groeve ‘Aumühle’ aan de
noordrand van de Rieskrater (een 15 miljoen jaar oude inslagkrater) en is
gevonden in een laag waarin normaal gesproken geen glas voorkomt.
Bovenop de Jurakalken, juist buiten de kraterrand, vinden we eerst een dikke
laag breccie; een pakket van vermalen gesteenten en gruis. Dit is het
uitgeworpen materiaal van de krater. Daarboven liggen de lagen Sueviet met
glasbommen. Deze lagen zijn ook gevormd tijdens de inslag, maar komen uit
het centrale deel van de krater. Het gesteente is hier geheel gedeformeerd
door de hoge druk en dito temperatuur tijdens de inslag. Dit materiaal is
tijdens de inslag eerst enkele tientallen kilometers hoog de atmosfeer
ingeslingerd alvorens het weer neerdaalde en op de breccie tot rust kwam.
In de groeve ‘Aumühle’ is het grensvlak tussen de breccie en het Sueviet
ontsloten. Het glashoudende Sueviet ligt daar boven op de breccie.

Het bijzondere is nu dat het getoonde glas gevonden is in
de breccie. We hebben het in situ uit de wand gehaald (afbeelding 2 en 3).
Het glas kent heldere delen en dat wijst op een snelle afkoeling.
Het probleem is nu: Hoe komt dat glas in de breccie? Tektieten worden niet
gevonden op de kraterrand en de breccie is eigenlijk glasvrij. Een andere
suggestie die mij aan hand is gedaan, is dat het toch een soort Fulgariet
zou zijn. In dit geval gevormd door electrische ontladingen in de stofwolken
tijdens de inslag.
Om uitsluitsel te krijgen zou spectroscopisch onderzoek en materiaalanalyse
uitkomst moeten
bieden,
maar hier lopen de wegen dood.
Wie mij behulpzaam kan zijn bij het determineren van dit glas wordt daarom
vriendelijk verzocht contact op te nemen. Monsters van de breccie waarin het
glas gevonden is zijn ook aanwezig, evenals een uitvoerige fotodocumentatie.
Links boven; afbeelding 2. Groevewand B =
Breccie, S = Sueviet
Links onder; afbeelding 3. Het glas in
situ (zwart materiaal in het midden van de foto).