
Op één van de storthopen in de
buurt van Ekeren (Antwerpen) vond ik in 1982 een bot met een apart uiterlijk
(zie afbeeldingen hieronder). De storthoop bestond uit bijna zwart zand met
glauconiet. Ouderdom zou Mioceen kunnen zijn, maar dat is met materiaal dat van
elders afkomstig is niet met zekerheid vast te stellen. De gedeponeerde zanden
kwamen uit graafwerkzaamheden ten behoeve van een aan te leggen metrolijn in
Antwerpen, werd mij verteld.

Klik voor een grotere afbeelding op de foto's (ong. 120 kB)
Ik ben er tot op heden niet achter
gekomen aan welk dier dit bot ooit heeft toebehoord en waar de positie in het
lichaam geweest zou kunnen zijn.
Het is geen bulla (gehoorbeen van een zeezoogdier) of een rotsbeen (ook een
onderdeel van het gehoor) van dezelfde groep. Vergelijk ik de botstructuur met
de vele visresten die ik in de jaren tachtig in het Antwerpse gebied heb
verzameld dan zou het stuk van een grote beenvis afkomstig kunnen zijn.
Ik heb een afgerond driehoekige onder-of bovenkaak van Mola mola (de maanvis)
uit het postmiocene basisgrind dat destijds regelmatig ontsloten lag onder in de
bouwput van de 4e Havendokwerken. De structuur van het been vertoont
overeenkomsten. Ik heb daarom mijn vondst vergeleken met de afbeeldingen van
maanvisonderdelen in het boek ‘Les Poissons Néogènes de la Belgique’ van Leriche
(1926). De maanvis heeft vele benige huidplaten, maar geen van de afbeeldingen
in Leriche lijkt ook maar enigszins op mijn fossiel.
Wat zijn dan de andere mogelijkheden? Het zou een onderdeel kunnen zijn van de
‘schouderstreek’ van een grote beenvis. Het Natural History Museum in Londen
heeft één van de grootste collecties recente- en fossiele visskeletten ter
wereld. Eigenlijk een ideale plek om mijn raadselachtige vondst te vergelijken.
Eind jaren tachtig heb ik dat museum een paar keer bezocht om mijn pliocene
vogelbotjes voor onderzoek af te staan en foto’s te nemen van een aantal
fossiele vissen uit het Siluur. Helaas is het echter nooit bij mij opgekomen om
het fossiel uit Ekeren, ter vergelijking, mee te nemen.
Nog een mogelijkheid is dat het om kwaadaardig beenweefsel gaat. Er zijn
namelijk aan beide zijden van het stuk geen groeilijnen waar te nemen. Ik zou
het tenminste voor een deel moeten doorzagen om na te gaan of er misschien
inwendig wel groeilijnen te zien zijn. Een x-ray opname zou deze structuren
waarschijnlijk ook kunnen aantonen.
Tenslotte kom ik bij de ‘hyperostoces’ (abnormale beengroei) in beenvissen
terecht. Deze objecten worden ook Tilly Bones genoemd naar Tilly Edinger die
uitgebreid aan deze vergroeiingen heeft gewerkt. Deze hyperostoces kunnen op
verschillende plaatsen van het lichaam tot ontwikkeling komen zoals: op de kop,
of er vlak achter en als uitgroeisels van de wervels. Ze vertonen geen sporen
van spieraanhechtingen en dienen geen duidelijke functie. Bij sommige vissen
bestaan de vergroeiingen uit zeer compact beenweefsel en bij andere uit licht
sponsachtig been. Hoe deze vergroeiingen zijn ontstaan schijnt niet duidelijk te
zijn. Enige vermoedelijke oorzaken die ik in de literatuur ben tegengekomen zijn:
ziekte, vervuiling van het water en genetische achtergronden. De Tilly Bones
worden, voor zover bekend, alleen bij zoutwatervissen aangetroffen.
Zeldzaam zijn ze niet. Ik ben ze vrij regelmatig op het terrein van de 4e
Havendokwerken tegengekomen. Het ging vooral om wat in de literatuur staat
aangegeven als ‘fruit-shaped hyperostoses’ (vruchtvormig). Het zijn ovale,
ongeveer 2 à 3 cm lange, objecten. Een zijde is licht convex. De andere zijde is
convexer en heeft een glanzend oppervlak. De licht convexe zijde toont een fijne
compacte botstructuur met groeilijnen. Ook heb ik twee ovale vrij platte stukjes
bot gevonden met daartussen een verbindingsstukje. Deze hyperostoses worden
vanwege hun gelijkenis butterfly bones (vlinderbeentjes) genoemd. Maar iets dat
lijkt op het fossiel uit Ekeren ben ik niet meer tegengekomen. Heeft iemand een
suggestie, dan verneem ik die graag.
LITERATUUR
Hewitt, R.A. 1983. Teleost hyperostoses: a case of Miocene
problematica from Tunesia - Tertiairy Research 5 (2).
Leriche, M. 1926. Les Poissons Néogènes de la Belgique - Verhandelingen
van het Koninklijk Museum van Natuurlijke Historie van België, Nr 32.
Konnerth, A. 1966. Tilly Bones - Oceanus 12 (2).