
Uit de
Westerschelde, van dezelfde verzamelaar als die van de eerder geopenbaarde
Hinnites, hebben we een heel erg
aardig fossiel gekregen, namelijk een doublet van Terebratula grandis. De
exacte naam van deze veel voorkomende soort is mij niet duidelijk, maar Dave
Harper (Kopenhagen) suggereerde dat het om Apletosia maxima (Charlesworth)
zou moeten gaan.
Terebratula’s zijn een niet zeldzame verschijning in het Westerschelde
materiaal, maar de vondst van een doublet is toch wel opmerkelijk. Het stuk,
verzameld door Albert Hoekman in augustus-september 2002 aan boord van BR (Breskens)
8 in of de Wielingen, de Honte of de Put van Terneuzen (helaas heeft hij geen
precieze gegevens meer). Het meest waarschijnlijk lijkt mij toch wel de laatste
vindplaats, alwaar ik zelf in juli ook verschillende Terebratula’s heb
verzameld.
Het stuk is begroeid met recente zeepokken. De steelklep is enigszins
beschadigd. De twee kleppen zijn aaneengekit door grijs tot grijsgroene
fijnkorrelige zandsteen. Als de Put van Terneuzen de herkomst is van dit
exemplaar, dan gaat het waarschijnlijk om een Laat Miocene of Vroeg Pliocene
vondst (Wesselingh & van Nieulande, deze aflevering). Het exemplaar doet me erg
denken aan de doubletten die we in de Naturalis collectie hebben van de zanden
van Deurne (Laat Mioceen) uit de omgeving van Antwerpen. Echter, het wat
grijzige karakter van de zandsteenopvulling zou erop kunnen wijzen dat dit
exemplaar van Pliocene ouderdom is, daar vrijwel alle fossielhoudende Mioceen
afzettingen in de omgeving van Zeeland een donkergrijze tot groenzwarte kleur
hebben.
|